top of page

Een zomerdag met Darwin

  • Writer: Kathalijn Vergeer
    Kathalijn Vergeer
  • Aug 13
  • 5 min read
Over aanpassingsvermogen en de werkelijkheid die niet meewerkt
Over aanpassingsvermogen en de werkelijkheid die niet meewerkt

Na Pippi, Galileo, Einstein, Proust en Tesla kom ik uit bij Darwin. En misschien wel bij de vraag die het dichtst bij mijn eigen werk ligt: wat doe je wanneer de werkelijkheid verandert en jij niet zomaar terug kunt naar hoe het was?


Over Darwin wordt vaak gezegd dat niet de sterkste overleeft, maar degene die zich het beste kan aanpassen. Het is een gedachte die me al vroeg aansprak en die ik bij KALA gebruikte als beeld voor ontwikkeling. Niet de grootste, niet de slimste, niet degene die alles al weet, maar degene die kan omgaan met veranderende omstandigheden. Hoe langer ik ermee werk, hoe minder ik aanpassingsvermogen ben gaan zien als flexibel zijn of snel kunnen schakelen.


Want je kunt je gedrag veranderen zonder dat er vanbinnen werkelijk iets verandert. Een andere planning maken, een nieuwe strategie bedenken, je aanpassen aan wat een ander van je vraagt. Soms is dat precies wat nodig is. Maar volgens mij begint het echte aanpassingsvermogen ergens anders: op het moment dat je ontdekt dat de werkelijkheid is veranderd en jouw oude manier van ermee omgaan niet meer werkt.


Dat moment kan heel klein zijn. Een ingrediënt ontbreekt tijdens het koken en ineens moet je iets anders verzinnen. Een gesprek loopt anders dan verwacht. Je kind reageert niet zoals je dacht. Een plan waar je weken aan hebt gewerkt blijkt niet te werken. Je kunt dan proberen de situatie terug te brengen naar hoe je haar had bedacht. Vasthouden, controleren, harder duwen. Maar er is ook een ander moment mogelijk: dat je jezelf afvraagt wat deze werkelijkheid nu van je vraagt. Daarmee verschuift er iets wezenlijks. Je probeert niet langer de werkelijkheid aan te passen aan jouw verwachting, maar begint je eigen verwachting aan te passen aan de werkelijkheid.


Dat heb ik dit jaar heel persoonlijk ervaren.


Na de miskraam kon ik niet terug naar de werkelijkheid daarvoor. Ik kon niet doen alsof er niets was gebeurd, maar ik wist ook niet meteen hoe ik verder moest. Eerst wilde ik vooral begrijpen, controleren en houvast vinden. Daarna kwam langzaam iets anders. Ik moest opnieuw leren leven met mijn lichaam, met onzekerheid en met een toekomst die niet meer precies liep zoals ik die had voorgesteld. De werkelijkheid veranderde niet omdat ik daar klaar voor was. Ik moest veranderen omdat de werkelijkheid veranderd was.


Misschien is dat wel het verschil tussen veranderen en aanpassingsvermogen. Veranderen kan iets zijn wat je doet. Aanpassingsvermogen gaat voor mij over de verhouding die je hebt tot wat er gebeurt. Ben je bereid om jezelf te laten beïnvloeden door een werkelijkheid die je niet zelf hebt gekozen? Kun je iets loslaten wat je eerder hielp, wanneer het je nu juist in de weg zit? En kun je opnieuw kiezen zonder precies te weten waar die keuze je brengt?


Die beweging herken ik ook in mijn werk. Bij LEF Future Center gaat het vaak niet om mensen vertellen hoe ze moeten veranderen. Interessanter wordt het wanneer iemand tijdens een ervaring ontdekt: wacht eens, ik doe dit zelf ook. Dan verandert niet alleen de aanpak, maar ook de manier waarop iemand naar zijn eigen rol kijkt. Bij de Provincie Limburg zag ik iets vergelijkbaars. De vraag was niet alleen hoe leiders zich konden ontwikkelen, maar wat er gebeurt wanneer de werkelijkheid van samenwerken verandert. Wat vraagt dat dan van degene die leidinggeeft? Soms hoeft iemand geen nieuwe leiderschapsvaardigheid te leren. Soms moet eerst het beeld veranderen van wat het betekent om leidinggevende te zijn.


Ook bij gemeente Amsterdam kwam ik die beweging tegen. Een ambitie als Rechtvaardig Amsterdam klinkt mooi op papier. Maar wat gebeurt er wanneer die ambitie werkelijk iets van je vraagt? Hoe handel je als jurist? Hoe neem je een besluit? Hoe gebruik je je positie en je macht? Wanneer verandert een organisatie werkelijk? Misschien niet wanneer er een nieuw beleid wordt geschreven, maar wanneer mensen zichzelf anders gaan verhouden tot hun eigen rol.


Daarom vind ik het woord aanpassen soms ingewikkeld. Het kan klinken alsof je je maar moet schikken naar wat er gebeurt, alsof je jezelf voortdurend moet voegen naar de omstandigheden. Dat bedoel ik niet. Aanpassingsvermogen is voor mij juist geen verlies van jezelf. Het kan betekenen dat je opnieuw ontdekt wat belangrijk voor je is en van daaruit een andere keuze maakt. Dat je niet alles vasthoudt wat je eerder hielp, alleen omdat het ooit werkte.


Iets wat gisteren een goede oplossing was, kan vandaag precies datgene zijn wat je tegenhoudt. Om trouw te kunnen blijven aan wat voor jou wezenlijk is, moet je soms bereid zijn om de manier waarop je dat vormgeeft los te laten.


Daarmee kom ik terug bij de zes zomerdagen. Pippi begon met nieuwsgierigheid: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan. Galileo leerde me ontvankelijkheid: durven erkennen wat je ziet, ook als het niet past bij wat je dacht. Einstein bracht houvast: kunnen blijven bewegen tussen wat je weet en wat je nog niet weet. Proust bracht aandacht: opnieuw leren kijken naar wat je dacht al te kennen. Tesla bracht resonantie: ontdekken wat er kan ontstaan wanneer verschillende dingen elkaar raken.

En nu Darwin: wat doe je wanneer wat daardoor ontstaat je opnieuw vraagt om te veranderen?


Misschien is dat uiteindelijk de beweging die in deze zes dagen steeds zichtbaarder werd. Niet hoe je een nieuwe werkelijkheid bedenkt. Niet hoe je jezelf zo flexibel mogelijk maakt. Maar hoe je leert bewegen met een werkelijkheid die voortdurend in ontwikkeling is. Een kind verandert. Een lichaam verandert. Een relatie verandert. Een organisatie verandert. Een samenleving verandert. Soms langzaam, soms van de ene dag op de andere. Je kunt proberen haar terug te brengen naar wat je kende, maar je kunt ook kijken wat er nu van je wordt gevraagd. Als dit de werkelijkheid is, wie moet ik dan worden om erop te kunnen antwoorden?


Voor mij begint daar aanpassingsvermogen. Niet bij veranderen, maar bij jezelf laten veranderen door wat zich aandient.

En daarmee zijn deze zes zomerdagen voor mij meer geworden dan zes losse denkers met ieder een eigen kwaliteit. Terwijl ik ze naast elkaar legde, begonnen ze samen iets te vormen. Een manier van kijken naar wat er nodig is wanneer het oude niet meer werkt en het nieuwe zich nog niet laat zien.


Dat beeld was er eigenlijk al langer. Ik had er alleen nog geen naam voor.

In de volgende en laatste zomerdag vertel ik waar die zes kwaliteiten mij uiteindelijk naartoe brachten. Naar een plek die niet alleen gaat over nieuwsgierigheid, ontvankelijkheid, houvast, aandacht, resonantie en aanpassingsvermogen, maar ook over mijn verlangen naar een andere wereld. Een wereld die we nog niet kennen.


De naam die ik die plek gaf, is NOHARA.


Comments


bottom of page